Fantoompijn van het Apostolisch Genootschap

Politicoloog Renske Doorenspleet dook in de parallelwereld van haar jeugd. Die van het Apostolisch Genootschap. ‘We waren geen Kerk, zo zeiden we dat niet: wij waren een Werk.’

Tijdens het interview over haar boek Apostelkind haalt Renske Doorenspleet (46) geregeld haar man voor de webcam. ‘Martin, jij kan dit beter zeggen dan ik.’ ‘Ik kan er goed over schrijven’, zegt ze, ‘maar erover praten vind ik lastig.’ Negatief spreken over het Apostolisch Genootschap waarin zij en haar man in de jaren tachtig en negentig opgroeiden, voelt als verraad. ‘Omdat we onze familie niet willen kwetsen. Dat maakt het moeilijk. En omdat het altijd allemaal zo fíjn moest zijn. Dat wil je ook graag: je wilt niet negatief overkomen, ook niet achteraf, maar dat is niet allemaal fijn. We waren als Apostelkinderen in de greep van iets ongrijpbaars’, zegt ze. ‘Ik wilde het begrijpen, zodat ik het een plek kan geven. Daarom ben ik onderzoek gaan doen. Naar de feiten, en naar wat het met mezelf heeft gedaan.’

‘Het moest altijd fijn zijn, maar mensen kunnen niet constant blij zijn.’

Doorenspleet en haar man groeien op in families die al generaties apostolisch zijn. Zij in Bussum, hij in het zuiden van het land. Dat dit hun ‘kerk’ is, kun je niet zeggen. ‘Als Apostelkinderen zagen we onszelf niet als christelijk’, zegt Doorenspleet. ‘We waren geen Kerk, dat voelde als vloeken, we waren Ons Werk.’ En dat ‘werk’ kostte de leden van het Apostolisch Genootschap, op het hoogtepunt zo’n 30.000 verspreid door Nederland, vrijwel al hun vrije tijd. Erediensten, kringen en repetities voor koren en toneelstukken vulden hun agenda, naast het gewone leven. Dit drukke programma was volledig verborgen voor hun collega’s en klasgenootjes. Het was een tweede, parallelle wereld. Waarom? Het goede werk moest in het verborgene worden gedaan. ‘Wij moesten bescheiden en onzichtbaar onze levenstaak verrichten en onze medemensen helpen’, zegt Doorenspleet. ‘Dat vind ik op zich een mooi idee. Maar de geslotenheid kwam ook door schaamte. Binnen de Gebouwen moest je in nette kleren lopen, maar voor een toneelspel verkleedde je je dan weer als rode bloedcel of poetsvis. Dat was verwarrend. Ook het religieuze gedachtegoed was een mengelmoes aan ideeën. Je kon niet goed uitleggen aan de buitenwereld waar het apostolische geloof voor stond.‘ De omgangsvormen waren ook dubbel. Zag je een broeder of zuster bij de supermarkt, dan voelde dat ongemakkelijk. Zag je elkaar in het gebouw, dan waren er hartelijke begroetingen. Het moest altijd fijn zijn, maar dat bracht juist spanning. ‘Mensen kunnen niet constant blij zijn. En er was geen tijd voor zelfreflectie. Niemand snapte waar we nu eigenlijk mee bezig waren. We werden meegezogen in gezellig samenzijn maar ook een verwarrend, indringend gedachtegoed.’

geen dogma’s

Het Apostolisch Genootschap (zie kader) is in 1951 ontstaan in Nederland. De beweging komt voort uit het christendom, maar had toen haar christelijke wortels al losgetrokken. ‘Voor mijn boek heb ik geprobeerd onze “leer” te duiden door met rooms-katholieke en gereformeerde vrienden en experts te praten, maar zij snapten er niks van. Volgens hen was er theologisch geen touw aan vast te knopen, of was het flinterdun’, zegt Doorenspleet. De leidsman, die Apostel werd genoemd, trok al sinds 1910 alle macht naar zich toe. Sinds 1946 geloofden apostolischen dat God in alle mensen aanwezig was, maar in de jaren vijftig moesten ze hun Apostel als ‘Levende Norm’ gaan zien.

Tijdens Doorenspleets jeugd vervulde Lambertus Slok deze apostelrol. Zijn zoon volgde hem in 1984 op en bleef tot 2001 de groep leiden. Maar de leden mochten de Apostel ook weer niet als God zien. Er waren veel benamingen voor de geestelijk leider en in liederen bezongen de volgelingen hem als pijler en houvast, zielenvriend, zielenhelper en goddelijke maatstaf. ‘Het was allemaal heel ingewikkeld. We voelden ons beter dan kerken, want wij hadden geen dogma’s. Maar ondertussen waren die er wél. Ze waren alleen niet te herleiden’, zegt Doorenspleet. De preken in verschillende gemeenten waren gebaseerd op een wekelijkse brief van de Apostel. ‘Hij beriep zich hiervoor op bijbelverhalen, Griekse mythologie, Etty Hillesum of Martin Luther King’, zegt Doorenspleet. ‘Overal werd inspiratie vandaan gehaald en alles werd door hem geherinterpreteerd.’

massapsychose

Totale overgave aan de Leidsman, dat werd er van de apostolischen gevraagd. Een portret van de Apostel, Lambertus Slok en later zijn zoon, hing bij hen thuis. Kinderen werden gedoopt én ceremonieel overgegeven aan de leidsman. Tijdens hun ‘confirmatie’ konden de tieners dit later bevestigen. Doorenspleet zong als kleuter in het koor: ‘Mijn hartje gaat van rikketikketik, het klopt alleen voor u.’ En u – dat was Slok. ‘Met andere tieners stond ik jaren later op het podium om hem heen, te zingen of te declameren. Als je niet ontroerd raakte, zoals de rest, dan voelde je je daar schuldig over. Vooral aposteldiensten voelden als een soort massapsychose waarbij iedereen zich moest overgeven.’ De conclusie is voor Doorenspleet dat ze bij een religieuze beweging zat met een hoge mate van religieus totalitarisme. Ze is voorzichtig met het woord sekte. ‘Er zijn acht kenmerken die de mate van religieus totalitarisme bepalen. Ik kan ze allemaal afvinken, zo ontdekte ik tijdens mijn onderzoek’, zegt ze. ‘We werden afgeschermd van buitenaf’, noemt ze als voorbeeld. ‘Er was absoluut vertrouwen in de leiding. Onze groep moest zuiver blijven. Er werden publieke ontboezemingen gedaan. Mensen werden publiekelijk te schande gezet. Er was ideologisch jargon met manipulatief taalgebruik.’

niet recalcitrant

In de jaren zeventig was er een kritische, recalcitrante groep van achthonderd mensen die uit het Apostolisch Genootschap stapte na negatieve onthullingen in de roddelpers. ‘De genoemde misstanden rondom geestelijk misbruik werden verder niet opgepikt door de reguliere media’, zegt Doorenspleet daarover. ‘Dat is opmerkelijk. En de trouwe en dienende volgelingen bleven natuurlijk over.’ Waaronder haar familie en die van haar man. ‘Er is misbruik van mensen gemaakt’, zegt haar man stellig. ‘Financieel gezien, maar vooral het emotionele misbruik was schadelijk. Wij hebben als apostelkinderen een verstoorde ontwikkeling gehad. Onze eigen ervaringen en identiteit werden aan de kant gezet voor de Apostel en het genootschap. We werden gemanipuleerd om dingen te doen die we niet wilden.’ Na het overlijden van zijn vader stond hij diezelfde avond nog te repeteren voor een toneelstuk, want dat stond op de planning. ‘Het ging alleen maar om de groep, nooit om je eigen gevoel’, zegt hij. En toch werden ze niet recalcitrant als pubers. ‘Wij waren de kinderen van de trouwe leden. We wilden niet onze ouders kwetsen’, zegt Martin. ‘En we dachten toch ook dat we bij iets bijzonders hoorden.’

fantoompijn

Tijdens haar studie politicologie in Leiden ontstaan er scheurtjes in de parallelle wereld van Doorenspleet. De wereld, die als ‘egoïstisch’ en ‘oppervlakkig’ werd bestempeld, bleek enorm mee te vallen. Binnen het genootschap waren op dat moment al hervormingen doorgevoerd. De nieuwe Apostel, Slok junior, was bijvoorbeeld geen ‘eigentijdse Christus’ meer. ‘Maar het publiek te schande stellen van mensen gebeurde nog steeds’, zegt Doorenspleet. De theorie was mooi, maar in de praktijk veranderde er weinig. En er werd nooit kritisch naar de geschiedenis van het genootschap gekeken. Het was alleen maar: de blik vooruit. ‘Op een dag concludeerden we dat we onze kinderen hier niet in wilden opvoeden, en toen was het klaar. Jarenlang spraken we er niet over, of lachten we het weg. Ik was er zelfs een beetje trots op dat ik vasthield aan mijn mooie herinneringen en geen last had van mijn apostolische onderdompeling’, zegt Doorenspleet. ‘Ik ging op in mijn werk, maar toch was er met vlagen veel verwarring. Het bleef me onduidelijk wat er nu eigenlijk allemaal was gebeurd met ons als Apostelkinderen. Er was onrust en ongemak.’ Fantoompijn, weet Doorenspleet nu. ‘Ik ben niet van mijn geloof gevallen, want er wás geen geloof. Het Apostolisch Genootschap zat in je.’ Het is de lege plek in haar identiteit waar het Apostolisch Genootschap nog steeds de zere vinger op kan leggen. In reactie op haar boek krijgt ze vanuit het genootschap oneliners te horen als ‘je moet het in het licht van die tijd zien’ of ‘verbitter niet’ of ‘we zijn een vernieuwend werk, constant in beweging’. ‘Ze klinken onschuldig, maar ze geven mij kippenvel’, zegt Doorenspleet.

Het Apostolisch Genootschap noemt zich tegenwoordig ‘een plaats voor religieus-humanistische zingeving’. Met de verschijning van Doorenspleets boek heeft het genootschap een eigen geschiedenis op de website geplaatst, waarin het de hand in eigen boezem lijkt te steken. ‘Dit is voor het éérst’, zegt Doorenspleet. ‘Het voelt niet als een handreiking naar ex-leden, want het genootschap had veel eerder een openbaar platform kunnen creëren met onafhankelijke hulp.’ Nog voordat het boek in de winkels lag, stroomden de mails van andere Apostelkinderen bij haar binnen, vol herkenning en eigen verhalen. ‘Niemand kan deze geschiedenis nu nog bagatelliseren.’

N.a.v. Apostelkind, Uitg. Balans, 320 blz. € 22,99

geschiedenis van het genootschap

Het Apostolisch Genootschap heeft zijn wortels in de Engelse Katholieke Apostolische Kerk. Deze ontstond in 1831 uit een groep mannen die de bijbelse profetische schriften bestudeerden. Zij stelden twaalf apostelen aan en geloofden dat de wederkomst van Christus zou plaatsvinden voordat de laatste van hen zou sterven. De Duitse aftakking zag dit niet goed komen en stelde nieuwe apostelen aan. Dit werd de Neuapostolische Kirche, in Nederland de Nieuw-Apostolische Kerk, met tegenwoordig negen miljoen volgelingen wereldwijd.

In 1951 ontstaat het Apostolisch Genootschap in Nederland, afgescheiden van deze Duitse ‘moederkerk’. Dit gebeurt omdat de Nederlandse Apostel, Johannes Hendrik van Oosbree, zélf een nieuwe opvolger aanstelt: Lambertus Slok. Deze werd niet erkend door de NAK.

Van Oosbree vond zichzelf geen gezant van Christus, maar daadwerkelijk de eigentijdse ‘geest van Christus’. Hij liet bestaande liedteksten herschrijven. ‘Welk een vriend is onze Jezus’ werd ‘Welk een vriend is onze Apostel, die aan Jezus’ plaats nu staat’. Slok zette deze lijn voort. Zijn zoon was van 1984 tot 2001 Apostel.

Tegenwoordig is Bert Wiegman Apostel. Hij gaf hiervoor zijn baan als medisch directeur bij het Amsterdam Medisch Centrum op, maar is er nog steeds werkzaam als kinderhartchirurg.

in Nederlands Dagblad, 8 april 2020